Blog

Sinds 1 januari 2017 kunnen studenten die ook een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefenen of starten, genieten van het nieuwe sociale en fiscale statuut ‘student-zelfstandige’. Dit nieuwe statuut voorziet in een bijzondere regeling op het gebied van de sociale zekerheidsbijdragen en versoepelt tegelijkertijd de voorwaarden om op fiscaal vlak nog als persoon ten laste te worden beschouwd.

Voorwaarden

Om in aanmerking te komen, moet de student-zelfstandige aan een aantal voorwaarden voldoen:

  • de student mag hoogstens 25 jaar oud zijn;
  • de student moet voor het betrokken academiejaar “in hoofdzaak” ingeschreven zijn bij een onderwijsinstelling;
  • de student moet een activiteit uitoefenen die is onderworpen aan het sociaal statuut van zelfstandigen;

De student-zelfstandige die van dit nieuwe statuut wenst te genieten, moet hiervoor een aanvraag indienen bij het sociale zekerheidsfonds.

Sociale zekerheidsbijdragen

Student-zelfstandigen zijn vrijgesteld van sociale zekerheidsbijdragen zolang zijn of haar netto beroepsinkomen lager is dan de helft van de minimumbasis waarop zelfstandigen in hoofdberoep bijdragen verschuldigd zijn of lager is dan € 6.648,12 (cijfers 2017).

Indien deze grens overschreden wordt maar het inkomen lager blijft dan de minimumbasis waarop zelfstandigen in hoofdberoep bijdragen verschuldigd zijn of lager blijft dan € 13.296,25 , is de student-zelfstandige enkel sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd op het gedeelte van het inkomen dat het bedrag van € 6.648,12 te boven gaat.

Verdient de student-zelfstandige meer dan € 13.296,25, dan betaalt hij/zij sociale zekerheidsbijdragen zoals een zelfstandige in hoofdberoep. De vrijstelling van sociale zekerheidsbijdragen op de eerste schijf van € 6.648,12 gaat in dit geval verloren.

Zo stellen wij het schematisch voor

Vermoedelijk inkomen In cijfers voor het jaar 2017 Te betalen bijdragen

Het vermoedelijk inkomen is lager dan de helft van de minimumbasis waarop zelfstandigen in hoofdberoep bijdragen verschuldigd zijn

 

 

Minder dan € 6.648,12

 

Geen bijdragen

Het vermoedelijk inkomen ligt tussen de helft van de minimumbasis en de minimumbasis waarop zelfstandigen in hoofdberoep bijdragen verschuldigd zijn  

 

Tussen € 6.648,12 – € 13.296,25

Het inkomen tot € 6.648,12 blijft vrijgesteld van bijdragen. Verminderde voorlopige bijdrage van 21% (of 20,50% in het eerste jaar van activiteit) op het meerdere.
Het vermoedelijk inkomen is gelijk aan of hoger dan de minimumbasis waarop zelfstandigen in hoofdberoep bijdragen verschuldigd zijn  
 

Minstens € 13.296,25

Geen vrijstelling meer voor de eerste schijf van het inkomen tot € 6.648,12.

Voorlopige bijdragen in hoofdberoep op het volledige inkomen.

 

Blijft de student-zelfstandige fiscaal ten laste?

Kinderen die teveel eigen bestaansmiddelen hebben, zijn niet meer ten laste van hun ouders. De maximumbestaansmiddelen met betrekking tot inkomstenjaar 2017 zijn de volgende:

  • € 3.200,00 voor kinderen ten laste van gehuwde of wettelijk samenwonende partners
  • € 4.620,00 voor kinderen ten laste van een alleenstaande
  • € 5.860,00 voor gehandicapte kinderen ten laste van een alleenstaande

De berekening van de maximumbestaansmiddelen van kinderen is geen sinecure. Zo moeten bijvoorbeeld niet alle door hen ontvangen onderhoudsgelden in aanmerking genomen worden, noch de eerste schijf van € 2.660,00 uit studentenarbeid. Voor wie zijn kosten niet bewijst, geldt er ook een kostenforfait.

Ook de eerste schijf van € 2.660,00 van het inkomen als student-zelfstandige moet niet meegenomen worden in de berekening van de maximumbestaansmiddelen.

Wanneer de student-zelfstandige zowel inkomsten verkrijgt als jobstudent (in loondienst) als inkomsten uit een activiteit als student-zelfstandige, geldt de vrijstelling van € 2.660,00 evenwel voor beide inkomsten samen.

De wetgever is streng voor kinderen die een bezoldiging ontvangen van (de eenmanszaak van) hun ouders. Zij zijn immers niet meer ten laste van hun ouders. Er bestaat een gelijkaardige verstrenging van de regelgeving voor student-zelfstandigen die bedrijfsleider zijn in een vennootschap van hun ouders. In dat geval mag de bedrijfsleidersbezoldiging aan de student-bedrijfsleider namelijk maximaal € 2.000,00 bedragen om nog fiscaal ten laste te blijven. Indien de student-bedrijfsleider evenwel nog andere inkomsten (bv. als jobstudent) ontvangt,  mag de bedrijfsleidersbezoldiging niet meer bedragen dan de helft van zijn of haar totale bruto inkomsten, daarbij abstractie makend van de ontvangen onderhoudsuitkeringen.

Ter illustratie hiervan nemen we het voorbeeld van student-zelfstandige Jolien, die met haar studentenjob € 3.400,00 verdient, € 100,00 interest ontvangt op haar spaarrekening en daarnaast een bezoldiging als student-zelfstandige van € 3.000,00 ontvangt in het kader van haar mandaat als  bedrijfsleider in de vennootschap van haar ouders.

Omdat de bedrijfsleidersbezoldiging hoger is dan € 2.000,00 zou zij in principe niet meer ten laste zijn van haar ouders. Echter, de bezoldiging van € 3.000 bedraagt minder dan de helft van haar totale bruto-inkomsten van € 6.500,00.

De eerste schijf van € 2.660,00 wordt buiten beschouwing gelaten voor de berekening van de netto-bestaansmiddelen. Na aftrek van de kostenforfait van 20 % op de overblijvende € 3.840,00 geeft dat een bedrag van € 3.072,00 netto bestaansmiddelen, hetgeen onder de grens ligt van € 3.200,00.

Bijgevolg kan Jolien voor het betrokken inkomstenjaar ten laste genomen worden door haar ouders.

Hopelijk zal deze nieuwe regeling student-ondernemers ertoe aanzetten om naast hun studies een zelfstandige activiteit op te starten. De ouders kunnen alvast met een gerust (fiscaal) hart over de schouders meekijken naar de eerste stappen van hun zoon of dochter als ondernemer.

 

 

 

Comments are closed.