ABFK http://www.abfk.be/new Advies - Boekhouding - Fiscaliteit - Kennis Mon, 04 Dec 2017 16:21:47 +0000 nl hourly 1 https://wordpress.org/?v=4.8.4 Vennootschap oprichten? Bezint voor u begint http://www.abfk.be/new/?p=973 Mon, 20 Nov 2017 14:47:03 +0000 http://www.abfk.be/new/?p=973 Driewerf hoera: de regering heeft eindelijk de vennootschapsbelasting verlaagd. Het moment om een bedrijfje op te richten en niet meer die ellendig hoge personenbelasting te betalen? Zo simpel is het niet. De regering zorgt er in één beweging voor dat u maar beter twee keer nadenkt.

Op 26 juli had de regering goed nieuws voor alle ondernemingen in ons land, en voor de kmo’s in het bijzonder. Eindelijk kwam de langverwachte verlaging van de vennootschapsbelasting er. Maar de belangrijkste belanghebbenden en hun belastingconsulenten zijn daar op zijn zachtst gezegd niet onverdeeld enthousiast over.

Goed, de vennootschapsbelasting weegt minder zwaar. Maar die met veel bombarie aangekondigde daling gaat gepaard met een rist maatregelen, de ene al opvallender dan de andere, die veel zelfstandigen en ondernemers met zwaardere lasten opzadelen.

 

De wortel

We beginnen met het goede nieuws: de daling van het nominale tarief in de vennootschapsbelasting (zie tabel De belastingtarieven dalen). Die gebeurt in twee fasen. In 2018 zakt het tarief van 33 procent naar 29 procent. Op dat basistarief wordt weliswaar nog 2 procent crisisbijdrage geheven (nu 3 procent).

Vennootschap oprichten? Bezint voor u begint

In de praktijk betekent dat 29,58 procent vennootschapsbelasting, terwijl dat nu 33,99 procent is. In 2020 zakt de 29 procent naar 25 procent en verdwijnt de crisisbijdrage.

Het Belgische tarief wordt dan concurrentieel met dat van Nederland (25%), Duitsland (30%) en Frankrijk (33%). Dat is dus goed nieuws voor de bedrijven. Vooral omdat de kmo’s nog meer in de watten worden gelegd. Voor hen is de daling nog groter en gebeurt ze vroeger: al vanaf volgend jaar geldt voor hen een tarief van 20 procent tot 100.000 euro winst.

De stok

Zelfstandigen en ondernemers, de drijvende krachten achter onze economie, betalen binnenkort dus minder belastingen. “Dat is een positief signaal”, zegt de jurist en belastingconsulent Pierre-François Coppens. Hij krijgt bijval van Nicolas de Limbourg, vennoot bij PwC, en Emmanuel Degrève, belastingconsulent en oprichter van Deg & Partners. Die laatste noemt de daling “een stap in de goede richting”.

Maar is dat wel zo? Het valt af te wachten of de daling van het nominale tarief de kmo’s werkelijk ademruimte zal geven. Minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA) heeft duidelijk gesteld dat de hervorming “budgettair neutraal” zal zijn. Er is geen sprake van dat er minder geld naar de staatskas vloeit.

Er komen dus bittere pillen te slikken”, zegt Emmanuel Degrève. Welke die zijn, moet nog blijken. Maar de documenten die we hebben kunnen inkijken, bevestigen dat de compensatie van het lagere belastingtarief verre van pijnloos zal zijn. Met name de minimumbezoldiging van de zaakvoerder zou flink omhoog gaan: van 36.000 euro naar 45.000 euro.

Wie een eenpersoonsvennootschap heeft met een belastbaar inkomen van 46.000 euro, moet zichzelf vanaf 2018 een salaris van 45.000 euro uitbetalen om te kunnen profiteren van het lagere tarief van 20 procent. “Je merkt duidelijk dat de regering via de bedrijfsvoorheffing en de sociale bijdrage wil recupereren wat ze verliest in de vennootschapsbelasting”, merkt Coppens op. Er komt geen sanctie als het belastbaar inkomen van de vennootschap 45.000 euro of minder is.

Een dubbele straf

De regering-Michel wil op die manier voorkomen dat zelfstandigen en vrije beroepers een vennootschap oprichten om te vermijden dat hun inkomsten onder de personenbelasting vallen en belast worden als beroepsinkomen.

Ze heeft ook in een “dubbele straf” voorzien, signaleert Denis-Emmanuel Philippe, advocaat gespecialiseerd in fiscaal recht bij Bloom Law en professor aan de Universiteit van Luik. Als een kmo de voorwaarde van de minimumbezoldiging van 45.000 euro niet respecteert, kan ze niet profiteren van het verlaagde tarief. Bovendien krijgt ze een boete van 10 procent op het verschil tussen de minimum- en de echte bezoldiging.

Coppens ziet in die dubbele sanctie de wil om “de oprichting van vennootschappen af te remmen”. Denis-Emmanuel Philippe is het daarmee eens. “Die maatregelen moeten ondernemers en andere personen ontmoedigen een vennootschap op te richten.”

Onaangename verrassingen

En er is nog meer slecht nieuws voor wie zijn beroep onder een vennootschap wil uitoefenen. Vanaf volgend jaar moet u bijvoorbeeld belasting betalen op het geld dat u uit uw vennootschap haalt. Tot op heden kon u via een kapitaalvermindering contant geld uit uw vennootschap halen zonder daar belastingen op te betalen.

Kapitaalvermindering wordt een dure zaak

Kapitaalverminderingen worden voortaan beschouwd als dividenduitkeringen. Vanaf 2018 wordt de kapitaalvermindering pro rata onderworpen aan de roerende voorheffing. “Het deel van de kapitaalvermindering dat wordt toegerekend op het werkelijk gestorte kapitaal, blijft onbelast. Het deel van de kapitaalvermindering dat wordt toegerekend op de belaste reserves, is onderworpen aan de roerende voorheffing, in principe tegen een tarief van 30 procent”, zegt Denis-Emmanuel Philippe.

Een voorbeeld: Ellen startte tien jaar geleden een schoenenzaak op. Bij de oprichting van haar vennootschap bracht ze een gebouw, aandelen en cash geld in voor een totale waarde van 500.000 euro. Haar zaak was van meet af aan winstgevend en in de tien daaropvolgende jaren heeft ze 1 miljoen euro aan reserves opgebouwd. Ze liet die op de balans staan, want als ze die winst als dividend zou uitkeren, moet ze daarop roerende voorheffing betalen. Via een kapitaalvermindering kon ze, als ze dat wenste, altijd op een fiscaal voordelige manier geld uit de vennootschap halen.

In 2018 zal dat drastisch veranderen. Als Ellen dan 100.000 euro uit haar vennootschap haalt via een kapitaalvermindering, zal ze daarop altijd roerende voorheffing moeten afdragen. Ze is die niet verschuldigd op de hele som, wel pro rata. Het belastbare gedeelte bedraagt 100.000 euro x 66,66 procent = 66.666 euro. Tegen het huidige tarief van de roerende voorheffing, dat 30 procent bedraagt, draagt Ellen 19.999 euro belasting af. Het deel van de kapitaalvermindering dat wordt toegerekend op het werkelijk gestorte kapitaal, of 33.333 euro, blijft onbelast.

Het advies is duidelijk; wie aandeelhouder is van een vennootschap met een aanzienlijk kapitaal en een kapitaalvermindering wil doorvoeren, moet daar onmiddellijk aan beginnen. Anders wordt hij hard getroffen door de maatregel die ingaat op op 1 januari 2018.

Maar voortaan wordt een deel van de kapitaalvermindering als een dividenduitkering beschouwd”, legt Denis-Emmanuel Philippe uit. Bijgevolg wordt een kapitaalvermindering voortaan onderworpen aan de roerende voorheffing naar rato van het aandeel van de nog aanwezige belaste reserves in het gestorte kapitaal, verhoogd met de belaste reserves. “Alsof de opname van je inbreng van enig misbruik zou getuigen”, fulmineert Pierre-François Coppens.

Hij vindt het ook stuitend dat de boetes voor onbetaalde of ontoereikende voorafbetalingen verhoogd zijn. “Voor de mensen die te laat betalen zal de rekening gepeperd zijn.

Een andere maatregel die pijn zal doen is de belasting op meerwaarden. Volgens de documenten die we onder ogen hebben gehad, plant de regering een belasting voor kmo’s met een effectenportefeuille. De meerwaarden op de verkoop van aandelen zullen niet langer vrijgesteld zijn tenzij de vennootschap een participatie van minstens 10 procent in het bedrijf bezit, of de participatie 2,5 miljoen euro waard is.

“Dat is nadelig voor veel Belgische vennootschappen die op de beurs beleggen”, merkt Denis-Emmanuel Philippe op. “De maatregel treft in het bijzonder vermogensbeheerders, maar ook gewone ondernemingen die hun cashoverschotten in beursgenoteerde aandelen beleggen.” En dat op een moment dat Frankrijk de vermogensbelasting op waardepapieren afschaft. De boodschap van president Emmanuel Macron is: beloon de mensen die risico’s nemen en investeren.

Jacht op voorafbetalingen

Wie geen voorafbetalingen doet, zal het geweten hebben. De rente van 2,25 procent verdrievoudigt op 1 januari 2018 tot 6,75 procent. De intrest voor laattijdige voorafbetalingen zal minimaal 2 procent bedragen. De boete voor het niet aangeven van inkomsten wordt geleidelijk verhoogd tot 40.000 euro.

Ook de afschaffing van de aftrek van 120 procent voor elektrische wagens gaat tegen de tijdsgeest in. En vooruitbetaalde kosten zullen systematisch worden verworpen. U zult uw belastbare inkomen niet langer kunnen verlagen met vervroegde uitgaven zoals huren en dergelijke. Als ze betrekking hebben op een later boekjaar, zullen ze alleen nog in dat jaar aftrekbaar zijn.

Het mag duidelijk zijn dat de regering met de ene hand geeft en met de andere neemt. De daling van de vennootschapsbelasting lijkt een mooie geste, maar “ze wordt helaas gecompenseerd met maatregelen die de belastbare grondslag verhogen”, betreurt Pierre-François Coppens.

30 procent roerende voorheffing

Bovenop dat alles torsen kmo’s de gevolgen van de immer stijgende roerende voorheffing. Zelfstandigen met een vennootschap hebben de gewoonte om hun privé-uitgaven te dekken door zichzelf een salaris uit te betalen of dividenden uit te keren, waarop roerende voorheffing moet worden betaald.

Die is in enkele jaren van 15 naar 30 procent gegaan. Concreet betaalt een kmo 20 procent vennootschapsbelasting en vervolgens 30 procent roerende voorheffing op de 80 procent die overblijft. Het resultaat is een gemiddeld aanslagtarief van 44 procent.

Thierry Afschrift, advocaat en professor fiscaal recht aan de ULB, vindt dat veel te hoog voor een riskante investering. “Veel mensen die een onderneming willen oprichten, laten zich ontmoedigen door het idee dat ze hun hele investering verliezen als ze falen en dat ze de helft van hun winst aan de staat moeten afdragen als ze slagen”, schreef hij onlangs in Trends-Tendances.

“De regering kan een positief signaal geven aan de investeerders door snel terug te keren naar een roerende voorheffing van 27 procent”, reageert Pierre-François Coppens. Zelfstandigen die besluiten een vennootschap op te richten, zouden in afwachting daarvan “in principe moeten kunnen genieten van de verminderde roerende voorheffing van 15 procent.”

“Ze moeten daarvoor aandelen op naam bezitten, die uitgegeven zijn na een inbreng van contant geld, en ze moeten drie jaar wachten voor ze dividenden uitkeren”, preciseert Denis-Emmanuel Philippe. Dan zakt de belastingdruk naar 32 procent op de eerste schijf van 100.000 euro.

In het vizier van de fiscus

Ook de managementvennootschappen zitten al een tijdje in het vizier van de fiscus. De belastingdiensten verwerpen almaar meer forfaitaire vergoedingen of niet-gespecificeerde facturen. Wie geen problemen wil met zijn controleur, kan maar beter zorgen dat hij agenda’s, e-mailberichten, bewijzen van verplaatsing, notulen en dergelijke kan voorleggen.

Managementvergoedingen, vastgoedconstructies, welke auto je hebt, het model van je smartphone, “je moet echt alles verantwoorden”, constateert Pierre-François Coppens. “De belastingdienst zadelt de belastingplichtige met schuldgevoelens op. Waarom heb je die allernieuwste smartphone nodig? En o wee als je naast een Tesla ook een Smart hebt om in Brussel te kunnen parkeren voor een afspraak met een klant.”

“Het lijkt wel alsof iedereen zijn best moet doen om zo veel mogelijk belastingen te betalen, in plaats van ze op een wettige manier zo laag mogelijk te houden. Belastingoptimalisatie en -planning zijn haast strafbare praktijken geworden.”

De belastingdienst controleert in feite niet meer of een uitgave verband houdt met het beroep, maar oordeelt over de noodzaak ervan. En dat is iets heel anders. Nochtans heeft de fiscus dat recht niet, zegt Denis-Emmanuel Philippe. “De fiscus mag niet oordelen over de juistheid van een uitgave. Hij mag niet tegen een belastingplichtige zeggen dat een van zijn twee auto’s niet nodig is.”

Vooral voor hoge inkomens

Als we al het bovenstaande in rekening brengen, is de daling van het belastingtarief voor kmo’s dan een pyrrusoverwinning of niet (zie kader De nieuwe maatregelen in de praktijk)? Het merendeel van de specialisten zal u zeggen dat het afhangt van de hoogte van de belastbare winst van de vennootschap, van de levensstijl van de zaakvoerder en van het geld dat hij nodig heeft om zijn privé-uitgaven te dekken.

“Na de hervorming hebben de hoge inkomens er nu nog meer baat bij om met een vennootschap te werken”, meent Denis-Emmanuel Philippe. Hoe hoger de winst, hoe minder hard de dubbele sanctie aankomt.

Voor alle anderen, de grote meerderheid, liggen de zaken een stuk moeilijker. Gezien de kosten voor het beheer van de vennootschap en de regel van de 45.000 euro zullen mensen die minder verdienen twee keer nadenken voor ze de stap doen. Dat geldt voor iedereen met 30.000 tot 80.000 euro belastbare winst per jaar.

“Voor hen blijft personenbelasting interessant, al hangt het ook af van de levensstijl en de inkomstenbehoefte”, stelt Emmanuel Degrève. Want het is niet zeker dat “de kleine kmo’s die relatief weinig kosten maken en geen aanzienlijke omzet realiseren, er iets bij zullen winnen”, vat Pierre-François Coppens samen. Kortom, de daling van de vennootschapsbelasting zal voor de meeste zelfstandigen waarschijnlijk niet zo interessant zijn. Wat de regering-Michel, die nochtans zegt voor de kmo’s op te komen, ook mag beweren.

DE NIEUWE MAATREGELEN IN DE PRAKTIJK

* kmo met 75.000 € winst en 45.000 € bezoldiging

• Vennootschapsbelasting = 75.000 x 20,4 % = 15.300 €

• Aanslagvoet = 20,4 % (15.300/75.000)

Dit tarief geldt vanaf 2018, zijnde 20 procent + 2 procent crisisbijdrage.

* kmo met 150.000 € winst en 45.000 € bezoldiging

• Vennootschapsbelasting = (100.000 x 20,4%) + (50.000 x 29,58%) = 35.190 €

• Aanslagvoet = 23,5% (35.190/150.000)

Ook deze kmo voldoet aan de voorwaarden om te genieten van het laagste tarief (op de eerste 100.000 euro).

* kmo met 75.000 € winst en geen bezoldiging

• Vennootschapsbelasting = 75.000 x 29,58% = 22.185 €

• Boete = 45.000 x 10% = 4500 €

• Totale belasting = 22.185 + 4500 = 26.685 €

• Aanslagvoet = 35,6 % (26.685/75.000)

Deze kmo voldoet niet aan de voorwaarde van minimaal 45.000 bezoldiging. Dat kan bijvoorbeeld omdat de bedrijfsleider twee kmo’s heeft, waarvan er maar een salaris uitkeert. Er is een dubbele bestraffing: het belastingtarief is hoger, en er is een boete van 10 procent van de minimale bezoldiging. Zijn aanslagvoet is dus hoger dan de 33,99 procent die hij vandaag betaalt.

* kmo met 25.000 € winst en geen bezoldiging

• Vennootschapsbelasting = 25.000 x 29,58% = 7395 €

• Boete = 25.000 x 10% = 2500 €

• Totale belasting = 7395 + 2500 = 9895 €

• Aanslagvoet = 39,6% (9.895/25.000)

Deze kmo betaalt geen bezoldiging aan de bedrijfsleider. Ze verliest het recht op verminderd tarief en betaalt bovendien 10 procent boete. Het belastingtarief stijgt zo in 2018 tot 39,6% van de winst, ruim boven dat van 2017 (33,99%). Vanaf 2020 daalt het weliswaar tot 35%. Als deze kmo aan een van zijn bedrijfsleiders 12.500 euro bezoldiging zou betalen, dan zou voldaan zijn aan de minimumbezoldigingsregel en zou die kmo slechts 20,4 procent belastingen betalen op de resterende belastbare winst.

* kmo met 45.000 € winst, 10.000 € niet-aftrekbare kosten en geen bezoldiging

• Vennootschapsbelasting = (45.000 + 10.000) x 29,58% = 16.269 €

• Boete = 45.000 x 10% = 4500 €

• Totale belasting = 16.269 + 4500 = 20.769 €

• Theoretische aanslagvoet = 37,8 % (20.769/55.000)

• Reële aanslagvoet = 46,2 % (20.769/45.000)

Voor het merendeel van de kmo’s geldt een deel van de kosten als niet-aftrekbaar: wagen, maaltijdcheques, restaurantkosten, recepties, enzovoort. Daarbovenop komt eventueel nog 30 procent roerende voorheffing voor wie geld uit zijn vennootschap haalt.

Bron: Moneytalk

]]>
Uitbreiding van het aanvullend pensioen voor alle zelfstandigen http://www.abfk.be/new/?p=955 Tue, 10 Oct 2017 09:16:52 +0000 http://www.abfk.be/new/?p=955 Wat verandert er precies? Hoe wordt het systeem van het aanvullend pensioen voor zelfstandigen georganiseerd?

“Vandaag kunnen zelfstandigen die via een eenmanszaak werken en een aanvullend pensioen willen opbouwen, enkel een vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen (VAPZ) afsluiten. De premies zijn beperkt, omdat ze maximaal 8,17 procent van het beroepsinkomen kunnen bedragen, met een absoluut plafond op 3127,24 euro in 2017.”

“Zelfstandigen die via een eenmanszaak werken, hebben niet de mogelijkheid een bijkomend pensioen aan te leggen, terwijl zelfstandigen met een vennootschap dat wel kunnen. De vennootschap kan voor hen een groepsverzekering of een individuele pensioentoezegging (IPT) afsluiten.”

“Nu wordt voor zelfstandige eenmanszaken een vergelijkbare mogelijkheid gecreëerd: de pensioentoezegging voor zelfstandigen. Technisch gaat het vrijwel om een kopie van de IPT.”

“De zelfstandige kan dus vanaf 2018 premies in een pensioentoezegging voor zelfstandigen storten. Die pensioentoezegging wordt dan, opnieuw zoals bij de IPT, extern beheerd, bijvoorbeeld door een verzekeraar. Er is geen maximumbedrag vastgelegd. Die nieuwe formule is combineerbaar met het VAPZ. De premies zijn onderworpen aan een premiebelasting van 4,4 procent en geven aanleiding tot een belastingvermindering a rato van 30 procent. De eindbelasting op het kapitaal bedraagt 10 procent.”

Zelfstandigen hadden tot nu naast het VAPZ ook al de mogelijkheid om via de derde pijler aan pensioensparen te doen, met de daaraan verbonden fiscale voordelen. Waarom is het zo belangrijk dat ze door de uitbreiding van het aanvullend pensioen een extra mogelijkheid krijgen? Is die uitbreiding echt nodig?

“Het gemiddelde pensioen van een zelfstandige schommelt rond 860 euro per maand. Het is voor die groep cruciaal dat ze daarnaast een bijkomend pensioen kan aanleggen. Het VAPZ geeft zelfstandigen de mogelijkheid dat te doen, maar in beperkte mate. Voor zelfstandigen met een jaarinkomen vanaf ongeveer 40.000 euro volstaat dat niet.”

“Natuurlijk hebben zelfstandigen, net zoals werknemers, daarnaast ook nog toegang tot de derde pijler, maar ook daar zijn de bedragen die ze kunnen opbouwen te beperkt.”

“Los van de bedragen zijn er nog twee belangrijke redenen waarom we de uitbreiding van het aanvullend pensioen voor alle zelfstandigen toejuichen. Een eerste reden is de diversifiëring. Hoe meer opties zelfstandigen hebben voor de opbouw van hun pensioen, hoe beter ze aan risicobeheersing kunnen doen om de gestorte premies te beleggen.”

“Een tweede reden is dat de ongelijkheid tussen zelfstandige bedrijfsleiders die met een vennootschap werken en zelfstandige natuurlijke personen (eenmanszaken) problematisch is. In de praktijk stelden wij vast dat de mogelijkheid om via een vennootschap een echt aanvullend pensioen op te bouwen voor veel zelfstandigen een doorslaggevend argument is om een vennootschap op te richten.”

“Door de nieuwe regeling zullen zelfstandigen, voor wie de vennootschap niet de meest geschikte ondernemingsvorm is, niet langer de behoefte voelen toch naar die structuur om te schakelen.”

“UNIZO is dus tevreden met de nieuwe maatregel. We hadden zelfs graag gezien dat het sneller was gegaan. Eerst was de pensioentoezegging voor zelfstandigen al aangekondigd voor 2016. Het systeem gaat nu van start vanaf 1 januari 2018.”

Hoe komt het dat het wettelijke pensioen voor zelfstandigen lager is en ze tot op heden deels waren uitgesloten van het aanvullend pensioen? En is er voor het wettelijke pensioen verbetering merkbaar?

“Voor het wettelijk pensioen van zelfstandigen wordt een andere berekeningsformule gehanteerd dan dat van werknemers. Bij die laatste groep wordt het inkomen dat de gepensioneerde gedurende zijn carrière heeft verkregen, gedeeld door het aantal gewerkte jaren. Het jaarlijkse pensioen bedraagt dan 60 procent van het resulterende bedrag.”

“Bij zelfstandigen wordt die 60 procent nog eens verminderd aan de hand van een correctiecoëfficient van 66 procent. Een zelfstandige die in zijn leven evenveel heeft verdiend als een werknemer, krijgt dus maar twee derde van zijn pensioen. De gedachtegang daarachter is dat op de inkomsten uit het werk van zelfstandigen maar door één partij sociale bijdragen wordt betaald en dat tegenover die lagere bijdragen bijgevolg ook een lagere tegemoetkoming moest staan na de loopbaan.”

“Ondertussen is die redenering eigenlijk achterhaald. Zelfstandigen betalen 20,5 procent sociale bijdragen. Bovendien dragen ze ook hun steentje bij aan de sociale zekerheid door hun sobere sociale statuut, zonder werkloosheidsuitkeringen, en door de werkgeversbijdrage van 25 procent op het loon van hun werknemers. De regelgeving volgt echter maar langzaam de nieuwe realiteit.”

“Het wettelijk pensioen voor zelfstandigen is wel al verbeterd. Zo is het minimumpensioen gelijkgesteld aan dat van werknemers. Het verschil tussen het minimum- en het maximumpensioen blijft echter zeer klein, zo’n 200 euro per maand.”

“Wij pleiten er dan ook voor dat de pensioenberekening wordt herzien en dat mensen die een hoger inkomen hebben, ook een hoger wettelijk pensioen kunnen genieten. Op die manier geef je de juiste incentives aan zelfstandigen om hun onderneming zo succesvol mogelijk te maken.”

Bron: Moneytalk, trends

]]>
Vanaf januari mogelijkheid om onroerende verhuur aan btw te onderwerpen http://www.abfk.be/new/?p=949 Mon, 25 Sep 2017 12:06:24 +0000 http://www.abfk.be/new/?p=949 In het kader van het zomerakkoord werd door de regering een opvallende maatregel genomen. Nieuwe professionele contracten van onroerende verhuur kunnen vanaf 1 januari 2018 optioneel aan btw onderworpen worden.

Hoe is de situatie op dit moment?

De Europese btw-richtlijn stelt de verhuur van onroerende goederen in principe vrij van btw. Daarop zijn echter vier uitzonderingen:

  • Het verstrekken van accommodatie (hoteldiensten, verhuur van vakantiekampen, terbeschikkingstelling van plaats om te kamperen)
  • Verhuur van parkeerruimte voor voertuigen
  • Verhuur van blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines
  • Verhuur van safeloketten

De Belgische wetgever voegde daar nog drie uitzonderingen aan toe:

  • Verhuur van bergruimte voor het opslaan van goederen
  • Terbeschikkingstelling van uit hun aard onroerende goederen in het kader van de exploitatie van havens, bevaarbare waterlopen en vlieghavens
  • Onroerende financiële verhuur

Europa gaf de lidstaten ook de mogelijkheid om aan de belastingplichtigen het recht te verlenen btw te heffen op de verhuur en verpachting van onroerende goederen, maar België had dat tot nu toe nog niet in haar btw-wetgeving voorzien. Dat verandert vanaf volgend jaar.

Wat verandert er vanaf 1 januari 2018?

Vanaf 1 januari 2018 kan een eigenaar/verhuurder ervoor kiezen om een nieuw professioneel contract van onroerende verhuur aan btw te onderwerpen.

Wat betekent dit?

Tot op heden zorgde de vrijstelling van btw ervoor dat de btw die een eigenaar/verhuurder op de aankoop, onderhoud of constructiekosten betaalde, niet aftrekbaar was. Op die manier vormde de btw een kost die hoog kon oplopen.  Indien een klant er vanaf 1 januari voor kiest om de verhuur van onroerende goederen aan btw te onderwerpen, zal hij de btw op de aankoop- of constructiekosten in aftrek kunnen brengen. Wanneer, bovendien, ook de btw-plichtige huurder volledig recht heeft op aftrek van de btw aangerekend over de huurvergoedingen, vormt de btw voor geen van beide partijen een kost.

Details over de toepassingsvoorwaarden en – modaliteiten zijn voorlopig nog niet bekend. Het is dus nog even afwachten hoe dit optioneel stelsel er concreet uit zal zien. De verdere evoluties volgen we vanzelfsprekend voor je op.

Bron: zenito

]]>
De Kamer keurt de hervorming goed van het afkopen van de studiejaren http://www.abfk.be/new/?p=947 Fri, 22 Sep 2017 12:15:45 +0000 http://www.abfk.be/new/?p=947 Deze donderdag 21 september 2017 heeft de Kamer van Volksvertegenwoordigers de hervorming goedgekeurd met betrekking tot de regularisatie van de studieperioden voor de pensioenberekening van de ambtenaren, werknemers en zelfstandigen. Vanaf 1 december 2017 zal iedere werkende, ongeacht het stelsel, zijn studiejaren kunnen afkopen op het moment dat hij het wenst.

1500 euro per diplomajaar voor iedereen

Ter herinnering: de Federale Regering stelt voor om het forfaitaire bedrag van de regularisatiebijdrage vast te leggen op 1.500 euro per diplomajaar, ongeacht het stelsel (werknemers, zelfstandige en ambtenaar), voor diegenen die beslissen dit bedrag te betalen in een periode van 10 jaar volgend op het afsluiten van de studies. Na deze periode zal de mogelijkheid tot afkopen worden behouden maar zal het te betalen bedrag, dat op actuariële basis vastgesteld zal worden, hoger liggen. De regularisatiebijdrage is fiscaal aftrekbaar, en dit voor de drie stelsels.

Overgangsperiode van drie jaar vanaf 1 december 2017

Gedurende een overgangsperiode van drie jaar, tussen 1 december 2017 en 31 november 2020, zullen alle werknemers en zelfstandigen, ongeacht het punt waarop ze zich in hun loopbaan bevinden, de mogelijkheid hebben om hun geslaagde studiejaren na hun 20ste verjaardag te regulariseren door middel van regularisatiestortingen van 1.500 euro per diplomajaar. Tijdens deze zelfde overgangsperiode zullen ambtenaren alle studiejaren kunnen regulariseren die hen niet gratis toegekend worden.

Respect voor de verworven rechten van de ambtenaren

Voor de ambtenaren zal de bonificatie voor het vereiste diploma nog steeds gratis zijn in functie van de reeds gepresteerde loopbaan. Een ambtenaar, die een diploma van vier jaar bezit en die ¾ van zijn beroepsloopbaan heeft doorlopen, zal genieten van een kosteloze bonificatie voor drie jaar. Voor de jaren die hij nog kan aankopen werd een korting van 15% voorzien wanneer de aankoop plaatsvindt tussen 1 december 2017 en 30 november 2019; het bedrag van de aankoop komt op die manier neer op 1.275 euro per studiejaar.

De Minister van Pensioenen, Daniel Bacquelaine:
“Door deze hervorming wordt een geleidelijke harmonisering tussen de stelsels gerealiseerd. Elke werknemer zal kunnen genieten van een beter pensioen door te kiezen voor het afkopen van zijn studiejaren wanneer hij wil.”

]]>
Afschaffing vestigingswetgeving in Vlaanderen een feit? http://www.abfk.be/new/?p=928 Fri, 17 Mar 2017 15:24:23 +0000 http://www.abfk.be/new/?p=928 Op de Vlaamse Ministerraad van vrijdag 17 maart werd beslist over de afschaffing van de gereglementeerde beroepen met uitzondering van het bedrijfsbeheer en de bouwberoepen. 

Waarover gaat het ?

Door Europese regelgeving is het op dit ogenblik voor EU-onderdanen makkelijker om een handelsonderneming in België op te starten dan voor de Belgen zelf.  Hieraan wil het Vlaamse Gewest iets doen.  De gereglementeerde handelsberoepen worden daarom grotendeels afgeschaft.  Concreet zal het niet meer nodig zijn een specifiek diploma of specifieke ervaring voor te leggen als de ondernemer start met een kapperszaak, bakkerij, restaurant, schoonheidssalon, …

De Vlaamse Overheid wil ook in de toekomst de kwaliteit van de tot op heden gereglementeerde activiteiten garanderen.  Daarom heeft de overheid samengezeten met elke sector. Wanneer er nu al een overheidsdienst met een bepaalde controlefunctie bestaat, zal deze dienst ingezet worden om  over de kwaliteit te waken (zoals bijvoorbeeld het FAVV voor restauranthouders, bakkers, ….)

Wanneer treedt dit allemaal in werking ?

Vrijdag werd een princiepsbeslissing genomen.  Nu wordt de volledige wetgevende procedure doorlopen.  De verwachting is dat ten laatste op 1 januari 2018 de afschaffing een feit is.

In een latere instantie volgt dan ook bedrijfsbeheer en de bouwsector.

En in Wallonië en Brussel ?

Ook Wallonië en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden met deze problematiek geconfronteerd. Maar op dit ogenblik weten we nog niet welke richting het uitgaat voor deze Gewesten.

Bron: Zenito

]]>
Nieuwe spelregels voor de student-zelfstandige! http://www.abfk.be/new/?p=926 Thu, 16 Mar 2017 12:23:33 +0000 http://www.abfk.be/new/?p=926 Sinds 1 januari 2017 kunnen studenten die ook een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefenen of starten, genieten van het nieuwe sociale en fiscale statuut ‘student-zelfstandige’. Dit nieuwe statuut voorziet in een bijzondere regeling op het gebied van de sociale zekerheidsbijdragen en versoepelt tegelijkertijd de voorwaarden om op fiscaal vlak nog als persoon ten laste te worden beschouwd.

Voorwaarden

Om in aanmerking te komen, moet de student-zelfstandige aan een aantal voorwaarden voldoen:

  • de student mag hoogstens 25 jaar oud zijn;
  • de student moet voor het betrokken academiejaar “in hoofdzaak” ingeschreven zijn bij een onderwijsinstelling;
  • de student moet een activiteit uitoefenen die is onderworpen aan het sociaal statuut van zelfstandigen;

De student-zelfstandige die van dit nieuwe statuut wenst te genieten, moet hiervoor een aanvraag indienen bij het sociale zekerheidsfonds.

Sociale zekerheidsbijdragen

Student-zelfstandigen zijn vrijgesteld van sociale zekerheidsbijdragen zolang zijn of haar netto beroepsinkomen lager is dan de helft van de minimumbasis waarop zelfstandigen in hoofdberoep bijdragen verschuldigd zijn of lager is dan € 6.648,12 (cijfers 2017).

Indien deze grens overschreden wordt maar het inkomen lager blijft dan de minimumbasis waarop zelfstandigen in hoofdberoep bijdragen verschuldigd zijn of lager blijft dan € 13.296,25 , is de student-zelfstandige enkel sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd op het gedeelte van het inkomen dat het bedrag van € 6.648,12 te boven gaat.

Verdient de student-zelfstandige meer dan € 13.296,25, dan betaalt hij/zij sociale zekerheidsbijdragen zoals een zelfstandige in hoofdberoep. De vrijstelling van sociale zekerheidsbijdragen op de eerste schijf van € 6.648,12 gaat in dit geval verloren.

Zo stellen wij het schematisch voor

Vermoedelijk inkomen In cijfers voor het jaar 2017 Te betalen bijdragen

Het vermoedelijk inkomen is lager dan de helft van de minimumbasis waarop zelfstandigen in hoofdberoep bijdragen verschuldigd zijn

 

 

Minder dan € 6.648,12

 

Geen bijdragen

Het vermoedelijk inkomen ligt tussen de helft van de minimumbasis en de minimumbasis waarop zelfstandigen in hoofdberoep bijdragen verschuldigd zijn  

 

Tussen € 6.648,12 – € 13.296,25

Het inkomen tot € 6.648,12 blijft vrijgesteld van bijdragen. Verminderde voorlopige bijdrage van 21% (of 20,50% in het eerste jaar van activiteit) op het meerdere.
Het vermoedelijk inkomen is gelijk aan of hoger dan de minimumbasis waarop zelfstandigen in hoofdberoep bijdragen verschuldigd zijn  

 

Minstens € 13.296,25

Geen vrijstelling meer voor de eerste schijf van het inkomen tot € 6.648,12.

Voorlopige bijdragen in hoofdberoep op het volledige inkomen.

 

Blijft de student-zelfstandige fiscaal ten laste?

Kinderen die teveel eigen bestaansmiddelen hebben, zijn niet meer ten laste van hun ouders. De maximumbestaansmiddelen met betrekking tot inkomstenjaar 2017 zijn de volgende:

  • € 3.200,00 voor kinderen ten laste van gehuwde of wettelijk samenwonende partners
  • € 4.620,00 voor kinderen ten laste van een alleenstaande
  • € 5.860,00 voor gehandicapte kinderen ten laste van een alleenstaande

De berekening van de maximumbestaansmiddelen van kinderen is geen sinecure. Zo moeten bijvoorbeeld niet alle door hen ontvangen onderhoudsgelden in aanmerking genomen worden, noch de eerste schijf van € 2.660,00 uit studentenarbeid. Voor wie zijn kosten niet bewijst, geldt er ook een kostenforfait.

Ook de eerste schijf van € 2.660,00 van het inkomen als student-zelfstandige moet niet meegenomen worden in de berekening van de maximumbestaansmiddelen.

Wanneer de student-zelfstandige zowel inkomsten verkrijgt als jobstudent (in loondienst) als inkomsten uit een activiteit als student-zelfstandige, geldt de vrijstelling van € 2.660,00 evenwel voor beide inkomsten samen.

De wetgever is streng voor kinderen die een bezoldiging ontvangen van (de eenmanszaak van) hun ouders. Zij zijn immers niet meer ten laste van hun ouders. Er bestaat een gelijkaardige verstrenging van de regelgeving voor student-zelfstandigen die bedrijfsleider zijn in een vennootschap van hun ouders. In dat geval mag de bedrijfsleidersbezoldiging aan de student-bedrijfsleider namelijk maximaal € 2.000,00 bedragen om nog fiscaal ten laste te blijven. Indien de student-bedrijfsleider evenwel nog andere inkomsten (bv. als jobstudent) ontvangt,  mag de bedrijfsleidersbezoldiging niet meer bedragen dan de helft van zijn of haar totale bruto inkomsten, daarbij abstractie makend van de ontvangen onderhoudsuitkeringen.

Ter illustratie hiervan nemen we het voorbeeld van student-zelfstandige Jolien, die met haar studentenjob € 3.400,00 verdient, € 100,00 interest ontvangt op haar spaarrekening en daarnaast een bezoldiging als student-zelfstandige van € 3.000,00 ontvangt in het kader van haar mandaat als  bedrijfsleider in de vennootschap van haar ouders.

Omdat de bedrijfsleidersbezoldiging hoger is dan € 2.000,00 zou zij in principe niet meer ten laste zijn van haar ouders. Echter, de bezoldiging van € 3.000 bedraagt minder dan de helft van haar totale bruto-inkomsten van € 6.500,00.

De eerste schijf van € 2.660,00 wordt buiten beschouwing gelaten voor de berekening van de netto-bestaansmiddelen. Na aftrek van de kostenforfait van 20 % op de overblijvende € 3.840,00 geeft dat een bedrag van € 3.072,00 netto bestaansmiddelen, hetgeen onder de grens ligt van € 3.200,00.

Bijgevolg kan Jolien voor het betrokken inkomstenjaar ten laste genomen worden door haar ouders.

Hopelijk zal deze nieuwe regeling student-ondernemers ertoe aanzetten om naast hun studies een zelfstandige activiteit op te starten. De ouders kunnen alvast met een gerust (fiscaal) hart over de schouders meekijken naar de eerste stappen van hun zoon of dochter als ondernemer.

 

 

]]>
Registratie huurcontracten kan online http://www.abfk.be/new/?p=922 Thu, 09 Feb 2017 11:41:33 +0000 http://www.abfk.be/new/?p=922 Het is verplicht een huurcontract te laten registreren. U hoeft daar niet langer voor naar een registratiekantoor, voortaan kan dat ook online.

Als een huurcontract wordt geregistreerd, worden de belangrijkste gegevens in de overeenkomst opgenomen in de administratie van het registratiekantoor. Niet alleen huurcontracten moeten worden geregistreerd, ook alle andere contracten over onroerende goederen, zoals schenkingen en de vestiging van een vruchtgebruik op een woning of een grond. De registratie is ook verplicht voor oprichtingsaktes van vennootschappen en schriftelijke leningsakten tussen particulieren.

De registratie van een huurcontract is zowel belangrijk voor de huurder als voor de verhuurder. Een registratie geeft een vaste datum aan de overeenkomst. Niemand kan die datum dan nog betwisten. De verhuurder en de huurder kunnen het huurcontract gebruiken in hun relaties met derde partijen. Daardoor is de huurder bijvoorbeeld beschermd als de woning wordt verkocht. De nieuwe eigenaar is gebonden aan het lopende huurcontract. Na de registratie heeft de verhuurder de zekerheid dat de huurder de opzeggingstermijn moet eerbiedigen als hij het huurcontract beëindigt.

Als de huurder het pand zowel gebruikt om erin te wonen als om er te werken, heeft de registratie tot gevolg dat de verhuurder niet wordt belast op de volledige huurinkomsten, maar enkel op het deel dat betrekking heeft op het beroepsgebruik. In het huurcontract moet dan wel worden bepaald hoeveel huur betrekking heeft op het woongedeelte en hoeveel op het beroepsgedeelte.

Wonen en werken

Als de woning, het appartement, de studentenkamer of het tweede verblijf alleen wordt verhuurd om er te wonen, is het aan de verhuurder om het huurcontract te laten registreren. Ook de huurder mag dat doen, maar hij is daartoe niet verplicht. De registratie van een huurovereenkomst voor een woning is gratis. De verhuurder moet die laten registreren binnen de twee maanden na de ondertekening.

Als het verhuurde onroerend goed niet alleen privé maar ook beroepsmatig wordt gebruikt – bijvoorbeeld om er een handelszaak te vestigen – moet de verhuurder de overeenkomst laten registreren binnen de vier maanden na de ondertekening van het huurcontract. Hij kan dat niet overlaten aan de huurder. Die registratie is niet gratis. De verhuurder betaalt 0,2 procent registratierechten op het totaalbedrag van de huurprijs en op de lasten die de huurder moet betalen voor de duur van de overeenkomst. Voor een huurcontract van drie jaar met een maandelijkse huurprijs van 800 euro plus 200 euro maandelijkse huurlasten, bedraagt het registratierecht 36 maanden x 1000 euro = 36.000 euro x 0,2 procent = 72 euro.

Als een verhuurd onroerend goed zowel privé als beroepsmatig wordt gebruikt, is het verstandig twee afzonderlijke huurcontracten op te maken, een voor het woon- en een voor het beroepsgedeelte. Het huurcontract voor het woongedeelte kunt u gratis registreren. Anders betaalt u 0,2 procent registratierechten op de volledige huur.

Drie mogelijkheden

Een huurcontract moet u registreren op het registratiekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar het verhuurde goed gelegen is. U vindt de lijst op de website van de federale overheidsdienst Financiën, klik door naar ‘onze kantorengids’ en verder naar ‘woning’ en ‘huurcontract registreren’.

Een koninklijk besluit van 7 december 2016 bepaalt dat alle huurcontracten voortaan online kunnen worden geregistreerd. Dat was vroeger enkel het geval voor woninghuurcontracten, en niet voor handelshuurcontracten. Er zijn voortaan drie mogelijkheden om een huurcontract te laten registreren, maar de overheid moedigt vooral de onlineregistratie aan. Een huurcontract via e-mail of per fax naar het registratiekantoor sturen kan niet meer.

Via de post

U stuurt drie exemplaren van het huurcontract naar het bevoegde registratiekantoor. Vermeld in uw brief het adres waar de administratie het geregistreerde huurcontract naartoe moet sturen, als dat verschilt van het adres op het huurcontract. Het registratiekantoor stuurt het geregistreerde huurcontract samen met het registratieverslag terug.

Indiening op het registratiekantoor

U biedt zich persoonlijk of via een gevolmachtigde persoon aan op het bevoegde registratiekantoor met drie exemplaren van het huurcontract. U krijgt dan onmiddellijk een geregistreerd exemplaar mee naar huis.

Online

U kunt zich aanmelden met een eID-kaartlezer op de website www.myrent.be. U moet het huurcontract op de website invullen, afdrukken en het laten ondertekenen door de huurders. Vervolgens maakt u een kopie in pdf-formaat van het huurcontract, dat u verstuurt via de website. U krijgt een ontvangstbewijs van het registratiekantoor dat uw huurcontract registreert.

Registratie van bijlagen

De inschrijving van de huurcontracten die op papier worden aangeboden, wordt bevestigd met een stempel op het huurcontract. Een huurcontract dat u digitaal laat registreren via MyRent, is na de registratie beschikbaar via MyMinfin.

Niet alleen het huurcontract moet worden geregistreerd, ook de plaatsbeschrijving. Voor andere bijlagen zoals het energieprestatiecertificaat is de registratie niet verplicht. De registratie van een plaatsbeschrijving is gratis als het huurcontract alleen op een woning slaat en u de plaatsbeschrijving samen met het huurcontract aanbiedt. Een plaatsbeschrijving voor een huurcontract dat niet alleen voor huisvesting bestemd is, wordt geregistreerd tegen een vast tarief van 50 euro.

Bron: Moneytalk

 

]]>
Kleine onderneming? Voortaan moet u mogelijk geen btw-klantenlisting meer indienen. http://www.abfk.be/new/?p=919 Tue, 07 Feb 2017 15:26:22 +0000 http://www.abfk.be/new/?p=919 Vanaf 1 juli 2016 moet u niet langer een jaarlijkse lijst van belastingplichtige afnemers (‘klantenlisting’) indienen wanneer u aan de volgende twee voorwaarden voldoet:

  • Uw onderneming valt onder de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen
  • Uw klantenlisting is een nihil-klantenlisting wat met andere woorden betekent dat uw klanten
    • (terecht) geen Belgisch btw-nummer hebben
      of
    • wél een Belgisch btw-nummer hebben maar uw jaarlijkse omzet per klant met een Belgisch btw-nummer bedraagt niet meer dan 250 euro.

Opgelet! Deze regeling geldt vanaf de klantenlistings voor 2016 (waarbij u uw activiteit niet hebt stopgezet gedurende de eerste zes maanden van 2016).

U moet dus nog altijd een (nihil-)klantenlisting indienen wanneer u zich in een van de volgende situaties bevindt:

  • U hebt uw klantenlisting voor 2015 nog niet ingediend.
  • U hebt uw activiteit stopgezet gedurende de eerste zes maanden van 2016 (en u hebt daarvoor in deze periode een formulier 604C stopzetting ingediend).

Bron: BIBF

]]>
Studentenjob: 50 dagen vervangen door 475 uren http://www.abfk.be/new/?p=914 Tue, 17 Jan 2017 11:41:42 +0000 http://www.abfk.be/new/?p=914 Studentenjobs zijn aan bepaalde regels onderworpen in termen van sociale bijdragen. Onder bepaalde voorwaarden zijn de sociale bijdragen die studenten hoeven te betalen tot een bepaald plafond vastgelegd. De federale regeling besloot onlangs om de regelgeving rondom dit thema aan te passen. Hieronder vind je alle nuttige informatie.

Regels die van kracht waren tot 1 januari 2017

Werkende studenten genoten tot het einde van 2016 nog van verminderde sociale bijdragen (2,71% in plaats van 13,07%) onder de voorwaarde dat zij niet meer dan 50 dagen per jaar werkten (400 uren of 50 dagen van 8 uur). Studenten die bijvoorbeeld op één dag 3 uur hadden gewerkt, moesten dan een volledige dag van 8 uur inleveren. Er werd dus geen rekening gehouden met het aantal gewerkte uren wat meestal in het nadeel van de studenten speelde.

Wat is er veranderd sinds 1 januari 2017?

De ministerraad keurde een wijziging goed in verband met de maximale studentenarbeid dat verricht mag worden met het oog op verminderde sociale bijdragen. Het oude systeem zal vanaf 1 januari 2017 plaats moeten maken voor de 475 uren-regel. Een dag waarop studenten maar 3 uur hadden gewerkt zal dus niet meer als een volledige dag erkend worden. De nieuwe regelgeving zal dus ook voordeliger zijn voor de werkgever, vanwege een grotere flexibiliteit. Studenten die enkel werden opgeroepen om tijdens de piekuren te werken, zullen dus meer dagen kunnen opnemen tijdens de loop van het jaar.

Sinds 1 januari 2016 konden studenten overigens ook vrij kiezen om arbeid te verrichten onder het statuut van gelegenheidsarbeider of student. Studenten konden enkel onder de noemer van gelegenheidsarbeider vallen onder de voorwaarde dat zij al eerst 50 dagen aan de slag waren geweest onder het studentenstatuut. Deze voorwaarde is nu afgeschaft.

De nieuwe regelgeving is niet enkel voordelig voor studenten, maar ook voor de werkgevers. Tijdens de piekuren zal er gemakkelijker beroep kunnen gedaan worden op studenten terwijl werkgevers hierop nog steeds verminderde sociale bijdragen (5,42%) moeten betalen.

Andere zaken blijven onveranderd, als je de limitet van 475 uren overschrijdt zal je nog steeds als een normale werknemer beschouwd worden en dus 13,07% sociale bijdragen moeten betalen. Dit percentage is dus van toepassing vanaf het 476ste gewerkte uur. Ook zal de app Student@Work vanaf 1 januari 2017 in uren tellen. Hierop kunnen studenten hun resterende dagen raadplegen.

Conclusie

Het nieuwe systeem blijkt zeer voordelig voor studenten die tot heden maar een paar uur per dag hadden gewerkt. Studenten zullen dan meer flexibel ingezet kunnen worden en nog steeds van verminderde sociale bijdragen kunnen genieten. Ondertussen werkt de overheid ook aan een nieuwe regelgeving rondom het sociaal statuut voor zelfstandige studenten-ondernemers. Zo zal een zelfstandige student geen sociale bijdragen hoeven te betalen op een jaarlijks inkomen dat lager als 6.505 euro ligt.

 

Bron: jobat.be

]]>
Bedrijfsleiders mogen meer huur vragen aan vennootschap http://www.abfk.be/new/?p=909 Thu, 01 Dec 2016 15:27:39 +0000 http://www.abfk.be/new/?p=909 Dankzij een aanpassing van de berekeningswijze is het plafond van de huur die een bedrijfsleider mag vragen aan zijn vennootschap voor het gebruik van zijn gebouw, hoger geworden.

Veel bedrijfsleiders of zaakvoerders verhuren hun eigen gebouw aan hun vennootschap. Dat is een fiscaal interessante manier om geld uit de vennootschap te halen. Voor de bedrijfsleider zijn de ontvangen huurgelden belastbaar onroerend inkomen, waarop hij geen socialezekerheidsbijdragen hoeft te betalen.

Op de ontvangen huurgelden wordt een kostenforfait van 40 procent toegepast. Van dat nettobedrag kan de bedrijfsleider eventueel intresten van een vastgoedlening aftrekken. Op die manier kan hij zijn belastbaar inkomen zelfs tot nul terugbrengen. De vennootschap kan de betaalde huurgelden aftrekken van haar belastbare winst. Op die manier ontstaat een win-winsituatie.

Omvorming tot belastbaar inkomen

Om te vermijden dat de vennootschap een te hoge huur betaalt aan haar bedrijfsleider, zal de fiscus te veel gevraagde huur omvormen tot belastbare bezoldiging. Om de grens te berekenen, vermenigvuldigt de fiscus het kadastrale inkomen van het verhuurde gebouw met een zogenoemde revalorisatiecoëfficiënt en 5/3.

De revalorisatiecoëfficiënt wordt elk jaar aangepast aan de stijging van de prijzen. In een koninklijk besluit van 29 november is die voor het aanslagjaar 2017 vastgelegd op 4,31. Voor het aanslagjaar 2016 bedroeg de coëfficiënt 4,23. Dat betekent dat een bedrijfsleider meer huurinkomen mag vragen vooraleer dat omgevormd wordt tot een fiscaal zwaarder belaste bezoldiging.

Een voorbeeld

Neem het voorbeeld van een bedrijfsleider die eigenaar is van een kantoorgebouw met een kadastraal inkomen van 2500 euro. Hij verhuurt het gebouw aan de vennootschap die hij leidt. De bedrijfsleider mag dan een jaarlijkse huur vragen die gelijk is aan 2500 euro (kadastraal inkomen) x 4,31 (revalorisatiecoëfficiënt) x 5/3 = 17.958 euro. Op maandbasis betekent dat 1496,5 euro.

Vraagt de bedrijfsleider een hogere huur, bijvoorbeeld 25.000 euro per jaar, dan wordt het surplus van 7042 euro (25.000 – 17.958) belast als een bezoldiging waarop een belasting van maximaal 50 procent (plus gemeentebelasting) en socialezekerheidsbijdragen moeten worden betaald. De vennootschap zal het surplus van 7042 euro moeten vermelden op de fiscale fiche 281.20, die wordt uitgereikt aan de bedrijfsleider.

Bron: Knack

]]>